Standpunten


Tabaksregulering: contacten tussen tabaksindustrie en overheid

Aanleiding

Tabaksregulering is een zaak van alle belanghebbenden. In de media en het maatschappelijk debat is het beeld gecreëerd dat de Nederlandse overheid niet met de tabaksindustrie zou mogen praten. Dit wordt onder meer uitgedragen door Stichting Rookpreventie Jeugd in een juridische procedure tegen de Nederlandse Staat. Het gaat om een misvatting die berust op onjuiste interpretatie van een internationaal verdrag.

Situatie

De Wereldgezondheidsorganisatie heeft op 21 mei 2003 een WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging (ook bekend als het FCTC-verdrag) aangenomen dat sinds februari 2005 van kracht is. Meer dan 170 landen plus de lidstaten van de Europese Unie zijn deelnemers aan het verdrag. De doelstelling van dit WHO-Kaderverdrag is het opstellen van een wereldwijde agenda voor tabaksregulering, met als doel het verminderen van het aantal mensen dat begint met roken, en het aanmoedigen van het stoppen met roken. Dit verdrag bevat richtsnoeren voor betrokken landen en deze zijn niet bindend.

Actualiteit 2015

De inzet van de juridische procedure van Stichting Rookpreventie jeugd was de vraag of de Staat op grond van het WHO-Kaderverdrag (in het bijzonder artikel 5.3) wel terughoudend genoeg omgaat met de tabaksindustrie. Volgens de uitspraak van de rechter op 9 november 2015 heeft het voornoemde internationale verdrag geen rechtstreekse werking in het Nederlandse Recht. De Staat is niet in overtreding. Bovendien kan Stichting Rookpreventie Jeugd het internationale verdrag niet inroepen om de Staat te verplichten meer maatregelen te nemen om de veronderstelde invloed van de tabaksindustrie tegen te gaan.

Ons standpunt

In de kern gaat het om artikel 5.3 van het WHO-Kaderverdrag. Dit wordt door sommigen onjuist geïnterpreteerd. Dit is wat er in het artikel staat:
"In setting and implementing their public health policies with respect to tobacco control, Parties shall act to protect these policies from commercial and other vested interests of the tobacco industry in accordance with national law".

  • Hiermee wordt aangegeven dat "commerciële en andere gevestigde belangen van de tabaksindustrie" niet van invloed mogen zijn op het volksgezondheidsbeleid ten aanzien van tabaksregulering. Bovendien is wetgeving effectiever wanneer deze tot stand komt op basis van consultatie van alle belanghebbenden.
  • Artikel 5.3 geeft dus níet aan, dat niet gesproken mag worden met de tabaksindustrie. Zo is overleg mogelijk over o.a. technische zaken bij implementatie van wet- en regelgeving of over de gevolgen van bepaalde maatregelen voor een fabriek of bedrijfstak [1].
  • Bij artikel 5.3 zijn aanvullende richtsnoeren (‘guidelines’) geformuleerd, waarin staat dat partijen transparant moeten zijn over hun contacten met de tabaksindustrie. Ook hier wordt niet gezegd dat er geen contacten mogen zijn tussen de tabaksindustrie en de overheid of overheidsinstanties. Dit wordt bevestigd door de secretaris-generaal van de Europese Commissie, namens Commissievoorzitter Barroso [2].
  • In onze democratische samenleving komt besluitvorming tot stand door een uitwisseling van standpunten van alle belanghebbenden. Het is een normale gang van zaken dat ambtenaren en ministers praten met alle betrokken partijen (voor en tegenstanders) om onafhankelijk en zelfstandig tot een evenwichtig en weloverwogen beleid te komen (visie van de huidige Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport). Uiteindelijk debatteert de Kamer en neemt besluiten. [3]
  • De tabaksindustrie acht wetgevers, bewindslieden, politici en ambtenaren meer dan capabel om na consultatie tot een eigen besluit of visie aangaand publiek beleid te komen.

[1] Aldus staatssecretaris Van Rijn, Beantwoording van Kamervragen (lid Van Gerven) op 1 oktober 2013
[2] Aldus een brief van Catherine Day van 7 februari 2013 aan Koen Roovers, ALTER EU
[3] Verduidelijking Artikel 5.3 door Minister Schippers VWS tijdens vragenuurtje 25 oktober 2011


Aantal verkooppunten

Tijdens diverse (Kamer)debatten maar ook in de media, wordt regelmatig gesproken over ruim 60.000 verkooppunten van tabaksproducten in Nederland. Dit aantal is onjuist.

Situatie

In 2005 heeft de toenmalige VWA tijdens een evaluatie van de Tabakswet aangegeven dat er naar schatting meer dan 60.000 verkooppunten voor tabak zouden zijn. Bij deze schatting ging men ervan uit dat ook in alle horecagelegenheden in Nederland tabak zou worden verkocht. Dat is niet juist. In ongeveer 15.000 [1] horecabedrijven zijn sigarettenautomaten te vinden. Het percentage rokers is 23% [2], waarmee Nederland tot één van de laagste in Europa behoort op het gebied van het aantal rokers.

Ons standpunt

In totaal zijn er in Nederland ongeveer 30.000 verkooppunten van tabaksproducten. Volgens de meting van SEO economisch onderzoek in 2014 [3], blijkt dat 95% van de verkoop van tabaksproducten plaats vindt bij ongeveer 23.000 verkooppunten. Deze verkooppunten bestaan uit supermarkten, pompshops (bemand), tabak- & gemakszaken en horeca (automaten). 

[1] Aldus TZN
[2] Trimbos Instituut, 24 april 2015: 'In 2014 rookte iets minder (23%) dan een kwart van de Nederlandse bevolking vanaf 15 jaar. Dat is een daling van 2 procent in vergelijking met 2013.'
[3] Bron: SEO rapport 'Economische effecten beperken verkooppunten tabak' in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, [juni, 2014]


Regulering ingrediƫnten

Aanleiding

Over ingrediënten die in tabaksproducten wordt veel gesproken. Sommigen geven aan dat door toevoegingen aan tabaksproducten de tabak laagdrempeliger wordt voor jonge consumenten. Er wordt dan vaak gewezen op de toevoeging van suiker en cacao. Er wordt gezegd dat deze ingrediënten de toxiciteit en verslavende werking van tabaksproducten versterken. Tevens wordt als argument gegeven dat ingrediënten schadelijk zijn voor de volksgezondheid omdat zij tabaksproducten lekkerder laten smaken of aantrekkelijker maken. Het is tot nu toe niet wetenschappelijk aangetoond dat tabaksproducten zonder toevoegingen minder aantrekkelijk of verslavend zijn dan tabaksproducten met ingrediënten. Dat wordt ook gesteld door de WHO.

Situatie

Er zijn op dit moment geen internationaal geaccepteerde wetenschappelijke testmethodes voor het beoordelen van ingrediënten in tabaksproducten. Wel worden ingrediënten in veel landen waaronder Nederland gereguleerd. Sinds 2007 dienen tabaksfabrikanten en –importeurs in Nederland ieder jaar aan de overheid (RIVM) te melden welke ingrediënten er in hun producten gebruikt worden. Het RIVM verzamelt deze gegevens, brengt alles in kaart en schat het risico ervan in. Consumenten worden hierover geïnformeerd via de website www.rivm.nl/Onderwerpen/T/Tabak. Desondanks zijn overheersende smaken vanaf 2016 – en voor menthol vanaf 2020 - niet meer toegestaan in de Europese Unie. De reden is dat Europa commissie denkt dat deze additieven de aantrekkelijkheid van tabaksproducten voor de jeugd vergroten.

Ons Standpunt

De leden van de SSI en de VNK steunen wetgeving die vereist dat fabrikanten alle gebruikte ingrediënten dienen te melden aan het RIVM en het publiek. Hierdoor ontstaat transparantie en duidelijkheid. Hierbij dient altijd rekening gehouden te worden met de concurrentie en moet worden gewaarborgd dat recepturen niet bij derden terecht komen.

Wij zijn het oneens met een verbod op overheersende smaken om zo de aantrekkelijkheid van tabaksproducten te verminderen. Het criterium "aantrekkelijkheid" is zeer subjectief en een onjuiste benadering voor regulering van tabaksingrediënten. Er is immers nooit wetenschappelijk aangetoond dat ingrediënten en additieven tabak aantrekkelijker maken. In 2010 kwam het European Scientific Committee on Emerging and Newly Identified Health Risks ('SCENIHR', het Europese wetenschappelijke comité voor nieuwe en opkomende gezondheidsrisico’s) tot de conclusie dat er geen bewijs is dat ingrediënten de verslavendheid van tabaksproducten verhogen. Het comité is van mening dat het bijzonder moeilijk is om te identificeren welke rol afzonderlijke additieven spelen bij het verhogen van de "aantrekkelijkheid" van tabaksproducten. Het comité verklaarde voorts dat "dditieven het gebruik van tabaksproducten in zijn totaliteit niet lijken te verhogen. Daarnaast is het disproportioneel en het verstoort de concurrentieverhouding, zonder dat het beoogde doel om jongeren minder te laten roken wordt bereikt."

In landen zoals het Verenigd Koninkrijk, China, Zuid-Afrika, Canada en Australië wordt voornamelijk Virginia tabak gerookt. Aan deze tabak worden niet of nauwelijks ingrediënten toegevoegd. Desondanks roken daar miljoenen mensen, ondanks dat deze tabaksproducten niet ‘aantrekkelijker’ maken. Volgens de Eurobarometer rookten in 2012 in bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk meer mensen dan in Nederland. Het verbieden van ingrediënten en additieven zal dus weinig tot geen invloed hebben op het aantal rokers in een land.

Bovendien zal een verbod op ingrediënten leiden tot handelsbarrières en een toename van de illegale handel, met de daaraan rechtstreeks gekoppelde toename van criminaliteit en afname van belastinginkomsten voor overheden.

Daarnaast is de industrie van mening dat regulering op basis van aantrekkelijkheid een koerswijziging betekent ten opzichte van de thans geldende Nederlandse tabaksontmoedigingsbeleid: het terugdringen van schadelijkheid van roken. Bovendien bevinden de tabaksproducten met overheersende smaken zich in een nichemarkt. Uit het in 2012 gehouden onderzoek van Eurobarometer Attitudes of Europeans towards Tobacco blijkt overigens dat de groepsdruk het overwegende element is voor de jeugd om te gaan roken. Slechts 2% van de jeugd zegt te zijn gaan roken door een specifieke overheersende smaak in het tabaksproduct.


Jeugdroken

Aanleiding

Er worden veel maatregelen voorgesteld voor het reguleren van tabak om zo het jeugdroken te verminderen, zonder dat daar wetenschappelijk bewijs aan ten grondslag ligt. Volgens het Trimbos-instituut is het zo dat “wetenschappelijke studies overtuigend aantonen dat het invoeren van een leeftijdsgrens van 18 jaar één van de meeste effectieve maatregelen is om schadelijk alcoholgebruik door jongeren tegen te gaan”. Een vergelijkbare redenering gaat volgens ons ook op voor een verhoging van de minimum leeftijd voor de verkoop van tabaksproducten.

Situatie

De Nederlandse tabaksindustrie is sinds 2000 voorstander van een verhoging van de minimumleeftijd voor de verkopen van tabaksproducten van 16 naar 18 jaar. In het Regeerakkoord van Rutte-II uit 2012 werd voorgesteld om de minimumleeftijd voor de verkoop van alcohol te verhogen van 16 naar 18 jaar. De tabaksindustrie is van mening dat dit ook voor tabaksproducten zou moeten gelden. Sinds 1 januari 2014 mogen zowel tabaksproducten als alcoholische dranken enkel en alleen worden verkocht aan meerderjarige personen van 18 jaar of ouder.

Ons standpunt

Wij zijn van mening dat tabaksproducten zijn voorbehouden aan de goed geïnformeerde en volwassen consument. Daarom zijn wij positief gestemd dat sinds 1 januari 2014 de leeftijdsgrens van 16 naar 18 jaar is gegaan. Dit kan echter nog effectiever worden gehandhaafd door het intensiveren van de controles.

Gezien het belang dat wij eraan hechten dat jongeren niet moeten roken, is de tabaksdetailhandel, met steun van de tabaksfabrikanten, zeer actief met een campagne die het doel heeft om te voorkomen dat abusievelijk tabaksproducten worden verkocht aan jongeren onder de 18 jaar. Door bewustwording van winkeliers te vergroten om actief te vragen naar een legitimatie bij personen die jonger zijn dan 25 jaar, wil de tabaksdetailhandel en de tabaksfabrikanten bijdragen aan een effectievere naleving van de bestaande minimumleeftijdsgrens. Dit heeft er o.a. toe geleid dat er bij een groot aantal tabakspeciaalzaken vanaf juli/augustus 2014 een elektronische leeftijdsverificatie zal plaatsvinden. Een vergelijkbare controle zal ook plaatsvinden bij automaten.


Rookprevalentie in NL vs rest van Europa

Aanleiding

Er wordt nogal eens gesteld dat Nederland een land is waar veel mensen roken als gevolg van onvoldoende overheidsmaatregelen. Dit is, zeker in verhouding met andere Europese landen, geen juiste weergave van de werkelijkheid.

Situatie

Volgens het Trimbos instituut rookte in 2013 25% van de Nederlandse bevolking. 19% van de Nederlandse bevolking rookt dagelijks. Rokers roken gemiddeld 13,1 sigaretten/shagjes per dag. Dit is minder dan in 2012, toen gemiddeld 13,9 sigaretten/shagjes per dag werden gerookt, aldus het Trimbos Instituut.

Standpunt

De tabaksindustrie is van mening dat het percentage rokers in Nederland laag is in vergelijking met andere EU lidstaten. Dit blijkt ook uit cijfers de van Europese Commissie. Zij publiceren regelmatig de Eurobarometer 'Attitudes of Europeans towards tobacco' waarin o.a. de rookprevalentie van de verschillende Europese landen wordt bijgehouden. De laatste uitgave is verschenen in 2012. Volgens hun meting rookte 24% van de Nederlandse bevolking. Dit is bijna het laagste percentage rokers in heel Europa. Alleen in Slowakije (23%), Portugal (23%) en Zweden (13%) wordt minder gerookt.


Generieke verpakking

Aanleiding

Diverse gezondheidsorganisaties adviseren in het kader van tabaksontmoediging voor jeugd dat tabak verkocht zou moeten worden in generieke verpakkingen. Alle vormen van 'branding' - handelsmerken, logo's, kleuren en grafische afbeeldingen - moeten hierbij verwijderd worden, behalve de merknaam, die dan voor alle merken in een uniform lettertype weergegeven moet worden.

Situatie

De gezondheidsorganisaties geven aan dat alleen een combinatie van verschillende tabaksontmoedigingsmaatregelen zal bijdragen aan het verminderen van roken. Zelfstandige maatregelen helpen volgens hen niet. Als dat het geval is, kan de effectiviteit van de afzonderlijke maatregelen niet worden gemeten. De tabaksindustrie ziet hierin de rechtvaardiging voor betreffende gezondheidsorganisaties om alle maatregelen die men kan bedenken te introduceren, ongeacht de effectiviteit. Generieke verpakkingen introduceren is daar een voorbeeld van.

Ons standpunt

Tabaksontmoedigingsbeleid moet bewezen effectief zijn. Wij zijn van mening dat generieke verpakkingen geen bijdrage zullen leveren aan minder roken. In de afgelopen jaren zijn er veel wetenschappelijke onderzoeken gedaan naar generieke verpakkingen. Geen van deze onderzoeken heeft kunnen aantonen dat het een bijdrage levert aan minder roken. Ook konden deze studies geen verband leggen tussen jeugd die begint met roken en de verpakking van tabaksproducten. Er is geen keuze voor een merk - de keuze is gewoon roken of niet roken. Daarom spelen merk en verpakking maar een zeer kleine rol bij het beginnen met roken. Dat houdt in dat het wijzigen van de verpakking geen belangrijk effect zal hebben op de beslissing(en) om te roken of niet. [1]

De introductie van generiek verpakkingen in Australië is geen succes voor de gezondheidsorganisaties. Er is een kortstondige en beperkte daling geweest van het marktvolume waarna de illegale handel is toegenomen en het marktvolume zelfs marginaal is toegenomen (KPMG Australië rapport). Andere effecten zijn volgens de gezondheidsorganisaties dat consumenten “vaker denken aan stoppen”. Dat is voor de tabaksindustrie een signaal dat er krampachtig wordt gezocht naar elk mogelijk (onmeetbaar) argument om generieke verpakkingen te rechtvaardigen.

De gezondheidsorganisaties grijpen dit argument aan door de vraag te stellen waarom de industrie zich druk maakt over generieke verpakkingen als er niet minder wordt gerookt door het introduceren van deze maatregel. De reden is dat generieke verpakkingen het handelsmerk van tabaksfabrikanten ontnemen. Bovendien maakt dit inbreuk op het intellectueel eigendomsrecht van de fabrikant dat tot doel heeft te communiceren over de kwaliteit, de oorsprong en het maken van onderscheid tussen een eigen product en dat van een concurrent. Daarnaast is er veel geïnvesteerd in het creëren van merkwaarde. Dit wordt zonder juiste onderbouwing vernietigd door de introductie van generieke verpakkingen. Daarnaast heeft dit tot gevolg dat generieke verpakkingen makkelijker zijn na te maken, waardoor er een grote kans bestaat dat de illegale handel toeneemt. In Australië, het land dat generieke verpakkingen in 2012 heeft geïntroduceerd, is deze ontwikkeling zichtbaar.

Op dit moment wordt de herziening van de Europese richtlijn voor tabaksproducten geïmplementeerd in Nederlandse wetgeving. In 2016 moeten de diverse maatregelen van kracht zijn. De verpakkingen zullen onder meer drastisch in verschijningsvorm gaan veranderen. Niet meer dan 35% van de zichtbare verpakkingen van tabaksproducten mogen worden gebruikt voor merkuitingen. Van de verpakking zal 65% in haar totaliteit worden gebruikt door de overheid voor communicatie over de gezondheidsrisico’s, inclusief een fotografische waarschuwing, en andere informatieve boodschappen. Deze nieuwe verpakking is nagenoeg een vorm van generieke verpakkingen.

[1] Expert Panel Report for Health Canada, When Packages Can’t Speak: Possible Impacts of Plain and Generic Packaging of Tobacco Products National Survey of Teens: Knowledge, Attitudes, Beliefs and Smoking Behaviours at 184 (March 1995).


Verbod op het tonen van tabaksproducten (uitstalverbod)

Aanleiding

Regelmatig wordt een uitstalverbod genoemd als middel om jeugdroken te verminderen. Dit vanuit de veronderstelling "zien doet kopen".

Situatie

Het uitstallen van producten in de detailhandel is een van de meest basale elementen van handeldrijven. Door producten uit te stallen kunnen fabrikanten en detailhandelaren de consument laten zien wat er in de winkels te koop is. Door het uitstallen van producten kan de consument ook zien of er nieuwe producten op de markt geïntroduceerd worden. In sommige landen is inmiddels een uitstalverbod ingevoerd. Dit betekent dat tabaksproducten niet meer zichtbaar in de winkel mogen liggen.

Internationale vergelijking

Het belangrijkste doel van het tabaksontmoedigingsbeleid is om jeugdroken terug te dringen en te voorkomen. Een uitstalverbod draagt daar niet toe bij, zo blijkt uit het Trimbos rapport: Points of sale of tobacco products (2014). Volgens dit rapport kan op basis van de uitgevoerde “systematic review” en “export reports” niet worden aangetoond dat het beperken van het uitstallen van tabak bij verkooppunten invloed heeft op het rookgedrag van mensen.

Ook Internationale voorbeelden tonen aan dat er geen relatie bestaat tussen een uitstalverbod en een effectief tabaksontmoedigingsbeleid. Canada is wat dit betreft een goed voorbeeld. Daar is sinds 2005 stapsgewijs een uitstalverbod ingevoerd in sommige provincies. Uit onderzoek (J. Padilla, 2010) naar dit Canadese uitstalverbod, waarbij de provincies onderling konden worden vergeleken, blijkt dat er geen relatie bestaat tussen dit uitstalverbod en het aantal rokers. Ook onderzoeken n.a.v. uitstalverboden in andere landen geven een vergelijkbaar beeld, zoals bijvoorbeeld in IJsland; het eerste land ter wereld met een uitstalverbod. Ook in dit Europese land blijkt dat een uitstalverbod niet heeft geleid tot lagere consumptie van tabak.

Hoewel het invoeren van een uitstalverbod niet leidt tot tabaksontmoediging berokkent het wel grote economische schade voor alle betrokken sectoren.  Uit het Deloitte rapport (2012) blijkt dat bij invoering van een uitstalverbod hoge kosten voor de Nederlandse detailhandel ontstaan, veroorzaakt door de afschermende voorzieningen (kasten e.d.) die geplaatst moeten worden, de toegenomen transactietijd bij de kassa, marktdistortie ten gunste van de grotere detaillisten en hogere kosten voor opslag door bevoorradingstijd en training van het personeel. Ook zorgt het ervoor dat het onmogelijk wordt om innovaties (zoals nieuwe producten met mogelijk lagere gezondheidsrisico’s) te introduceren.

Ons standpunt

Wij zijn van mening dat voor een legaal product, zoals tabak, geen beperkingen dienen te worden opgelegd aan de mate van verkrijgbaarheid of uitstalmogelijkheden. Een goede en juiste handhaving van de leeftijdsgrens van 18 jaar voor de aankoop van tabaksproducten is effectiever om het probleem van jeugdroken tegen te gaan. Bovendien blijkt uit het eerder aangehaalde Trimbos rapport dat er in Nederland nagenoeg geen maatschappelijke steun is voor het invoeren van een uitstalverbod.


Rookverboden (roken op de werkplek en in openbare ruimten)

De tabaksfabrikanten en importeurs respecteren de bestaande regelgeving die betrekking heeft op de werkplek, openbare gebouwen en ruimten en in de horeca. Wij steunen regelgeving die niet rokers beschermt tegen hinder en overlast door tabaksrook. Tegelijker tijd vinden wij dat rokers buiten moeten kunnen roken en in daartoe bestemde ruimten. Ook dient er gezocht te worden naar effectieve methoden (ventilatie) om hinder en overlast voor de niet- roker zoveel mogelijk te beperken, daar waar geen rookruimtes mogelijk zijn (kleine horeca gelegenheden).

Vraag: Moet het roken thuis en in auto's waar kinderen aanwezig zijn worden verboden?

Antwoord: Wij vinden dat volwassenen niet zouden moeten roken in de directe omgeving van kinderen. Wij vinden dit primair een taak van de ouders, zij moeten zorgen dragen dat hun kinderen niet direct blootgesteld worden aan tabaksrook en doen een beroep op hun verantwoordelijkheid. Wij zijn geen voorstander van wettelijke regelgeving op dit punt.

Vraag: Moet het roken op schoolpleinen worden verboden?

Antwoord: Wij vinden dat roken is voorbehouden aan goed geïnformeerde volwassenen. Wat ons betreft zou het roken mogen worden verboden op schoolpleinen van lagere en middelbare scholen. Wij vinden dit evenwel een zaak van schoolbesturen en zijn geen voorstander van wettelijke regulering.
Op schoolpleinen van opleidingscentra voor jongeren van 18 jaar en ouder vinden wij dat volwassen rokers de gelegenheid moeten hebben om te roken. Dit zou kunnen in rookruimtes en in de buitenlucht, er van uitgaande dat niet rokers daarvan geen hinder of overlast ondervinden


NEWSROOM VSK